Geniet van de natuur als een wandeling in de wolken



Projecten

2009-05-01 Invasieve planten


Invasieve planten

Door Wim Schoenmakers
 
De meeste exotische planten die zich in ons land gaan vestigen, leiden niet tot grote problemen. Sommige exoten ontwikkelen zich hier echter zeer explosief. Ze vallen als het ware een nieuw gebied aan. Deze “woekerende” exoten noemen we invasief.
 
Invasieve soorten gelden als de tweede bedreiging van biodiversiteit, na habitatverlies.
Ze kunnen veel economische en ecologische schade aanrichten, en leveren soms ook een gevaar op voor de volksgezondheid.
 
Invasieve planten kunnen in ons land opzettelijk of onopzettelijk zijn ingevoerd.
Onopzettelijk worden er bijvoorbeeld plantenzaden uit andere landen  als verstekeling aangevoerd  tijdens de invoer van  granen, hout, erts en allerlei andere producten uit het buitenland. 
Opzettelijk worden er planten  ingevoerd om hun sierwaarde, waarbij soms  ná  hun introductie pas blijkt dat ze zich explosief  gaan ontwikkelen.
 
Enkele voorbeelden van  invasieve planten zijn:
 
De reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum)
De gewone berenklauw is een algemene plant in Nederland. Zijn grote broertje daarentegen komt  uit de Kaukasus, en is in Nederland in de negentiende eeuw als sierplant geïmporteerd.
Hij kan wel 3,5 m hoog worden. De prachtige bloemschermen met wel 80.000 mooie witte bloemen per plant, leveren daarna echter evenzoveel kiemkrachtige zaadjes!
Eén reuzenberenklauw kan duizenden nakomelingen voortbrengen, en zodoende een groot gebied ‘koloniseren’. 
Deze strijdlustige plant vormt erg dichte groepen die andere inheemse  plantensoorten doet verstikken, door gebrek aan zonlicht.
 
De plant kan ook gevaarlijk zijn voor de mens. De stengelharen veroorzaken wondjes op de huid. Het sap dat de plant afscheidt, maakt de huid overgevoelig voor zonlicht waardoor brandblaren kunnen ontstaan. Als het plantensap in de ogen terechtkomt, kan dat blindheid tot gevolg hebben.
 
Utrecht is er begin 2009 mee begonnen om de reuzenberenklauw binnen de gemeentegrenzen volledig te vernietigen.
Langs biologische weg worden de wortels van de plant aangetast waardoor zaadvorming wordt tegengegaan.

ReuzebereklauwReuzebereklauwJapanseduizendknoopJapanseduizendknoop
De Japanse duizendknoop (Fallopia japonica)
Deze plant is bij ons geïntroduceerd als sierplant en voedergewas. Van oorsprong hoort hij thuis in Oost-Azië  (China-Taiwan-Japan). Het is een diepwortelende vaste plant, met stevige wortelstokken.
De plant is te herkennen aan zijn lange stengels met zijtakken. Ze kunnen 3 m hoog en 2 m breed worden. De plant groeit meerdere centimeters per dag, en sterft in de winter bovengronds af.
 
Ze groeien in dichte ondoordringbare groepen, en maken het leven van alle andere daar voorkomende planten onmogelijk.
 
Uitroeien is een kwestie van veel geduld. Vaak maaien en afvoeren.
Het maaisel niet vermengen met gewoon groenafval, want ieder stukje kan opnieuw uitlopen. Bedekken in het begin van de winter met een niet lichtdoorlatende materie is ook een optie.
In Oisterwijk staat de Japanse duizendknoop onder andere langs het fietspad in het Lindepark voorbij het notariskantoor.
 
De Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)
Deze plant is afkomstig uit het zuiden en oosten van Noord-Amerika en werd hier in de 19e eeuw aanvankelijk ingevoerd als sierboom. De plant werd later bewust aangeplant als bodemverbeteraar voor voedselarme zure  bodems, omdat zijn strooisel snel verteert. Ook bleek hij onder andere voorspoedig  te groeien onder de weinig licht doorlatende kruinen van de Grove den in productiebossen.
 
Al spoedig groeide de Amerikaanse vogelkers uit tot een plaag, en kreeg hij de bijnaam “bospest”.
Kosten nog moeite worden nu gespaard om deze plant te bestrijden, maar dit blijkt een vrij hopeloze onderneming te zijn. Er hoeft maar een heel klein stukje plant in de bodem achter te blijven, en er vormt zich al weer een nieuwe struik.
 
Ook vogels zorgen voor verspreiding van de plant. Ze eten de rijpe vruchten van de plant, en verspreiden de zaden via hun uitwerpselen.

knolcyperus

De knolcyperus (Cyperus esculentus)

Deze plant is in Nederland rond 1975 per ongeluk ingevoerd, met knolletjes van Gladiolen. In 1985 is hij geïdentificeerd in het grens- gebied van Noord-Limburg en Noord-Brabant.
De wortelstokken van de Knolcyperus lopen uit in knolletjes ter grootte van erwten. Deze knolletjes vormen het verspreidingsorgaan van de plant. (vegetatief ) Vermeerdering door zaad vind zeer zelden plaats.
Eén plant kan in één seizoen wel vijfhonderd knolletjes voortbrengen, die allemaal opnieuw kunnen uitlopen, als de gevormde spruit wordt vernietigd. Nadat een tien jaar durende uitroeiingscampagne werd gestopt, tracht men nu in Nederland met deze onwelkome nieuweling te leven. 
De dichte mat van wortelstokken van de Knolcyperus leiden tot een sterk verminderde opbrengst van de oogst.
Dit hardnekkige onkruid bedreigt de goede kwaliteit van de Nederlandse land- en tuinbouwproducten. Het is een gevaar voor partijen plant en pootgoed, en voor cultuurgrond.
Op besmette cultuurgrond geldt een teeltverbod voor akker- en tuinbouwgewassen gedurende drie jaar.
In Oisterwijk staat de Knolcyperus onder andere langs de Rosep in de buurt van de Stenen Heul.
De Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides)
Van nature komt deze plant voor in het voedselarm water in het oerwoud van Zuid Amerika. 
De Grote waternavel is in Nederland geïntroduceerd als vijver- en aquariumplant, en was te koop in tuincentra.
Omdat hij in vijvers door zijn snelle groei, in snel tempo het water overwoekert, dumpten de eigenaars hem  vaak in sloten of  andere watergangen met alle nadelige gevolgen van dien.
LNV heeft voor de detailhandel op 1 jan. 2001 een verkoop en bezit- verbod afgekondigd. Ook vijverbezitters moeten de plant verwijderen en vernietigen.
De Grote waternavel vormt vanuit de oeverlijn naar alle kanten uitlopers, die maximaal een meter het land opkruipen, maar zich over het water vrijwel onbeperkt kunnen uitbreiden.
Ze vormen daarbij een soort dekens op het water (drijftillen), waarbij de inheemse vegetatie praktisch volledig verdrongen wordt.
De plant vermeerdert zich heel gemakkelijk vegetatief. Ze dragen wortels over vrijwel hun gehele lengte. Afgebroken plantendelen vormen een soort stekjes. Elk afgebroken stukje plant dat op de bodem terecht komt, vormt zo op zijn beurt weer een nieuwe plant.
De verwijdering van de plant is door zijn onstuimige groei een zeer kostbare jaarlijks terugkerende zaak geworden.
In Oisterwijk is de plant o.a. aanwezig in de bypass van de Achterste stroom langs de Gemullehoekenweg; en in de kleine Aa en  Beerze.

waternavelwaternavelJakobskruiskruidJakobskruiskruid
Jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris)
Jakobskruiskruid is een middelhoge meestal tweejarige plant, die bloeit met een krans van gele straalbloempjes.
De naam Jacobaea verwijst naar de datum 25 juli – feestdag van Sint Jakobus de oudere. Vaak bloeit de plant echter al een maand eerder. 
De plant komt steeds meer voor in bermen; op dijken en in de perceelsranden van weilanden. De plant is zeer geliefd bij vlinders.
Het is een pioniersplant die zich snel verspreidt. Een volwassen plant produceert 75 tot 200.000 zaadjes, die door het zaadpluis met de wind worden meegevoerd, en op open plekken gemakkelijk ontkiemen.
Jakobskruiskruid is een giftige plant. De bloemen bevatten twee keer zoveel gif als de bladeren. 
Dieren die de plant eten krijgen alkaloïden binnen, die de lever aantasten. Rundvee, maar vooral paarden zijn daar gevoelig voor. 
Tijdens het grazen worden de planten vaak gemeden. Als de planten echter in gedroogde vorm in het hooi zitten, worden ze door de eters niet meer herkent, terwijl de giftigheid nog even erg is. De plant is zeer moeilijk te bestrijden. De beste optie is maaien vóór de plant zaden krijgt.